Joyce, het straathondje

 

 

 

Geboren werd jij in een vuile schuur.

Je moeder likte je schoon.

Zodra je droog was,

sprongen de vlooien van je moeder op je velletje.

Duisternis om je heen.

Je ogen zaten dicht.

De warme vochtige adem van je moeder ging over je heen.

Toen zocht je een plekje om te zuigen.

Zo leerde je tevreden te zijn met je buikje vol.

Dat er een baasje bestond, wist je nog niet.

Later gingen je oogjes open.

 

 

Toen je groter werd moest je voor jezelf zorgen.

Je vocht met je broertjes en zusjes.

Niemand waste je.

Niemand aaide je. Je was immers vies.

Je wist niet wat liefde was.

Je wist ook niet dat er een baasje bestond.

Verwaarloosd, hongerig, vies…

en zo eenzaam.

 

 

Altijd op zoek!

Honger, honger, je maagje knort.

De vlooien bijten.

Je krabt je.

Je jankt zacht.

Je trekt een bedorven stukje vis uit de vuilnisbak.

Niemand aait je.

Niemand spreekt vriendelijke woorden tegen je.

Niemand geeft je een bord eten.

Weet je wel dat er een baasje is?

Weet je wel, dat er een ander hondenleven bestaat?

 

 

Je bijt. Je blaft. Je vecht.

Niemand zorgt er immers voor je?

Dan moet je wel bijten en grommen.

Dreigend toon je je witte tanden aan ieder, hond of mens.

Kom eens hier, als je durft! zeggen die tanden.

Je kijkt vals.

Je steelt vlees bij de slager.

Die gooit met een steen naar je

precies op je linker voorpoot.

Rood loopt het bloed in het gras.

Je gaat liggen onder een afdakje.

Je likt je gewonde poot en je gromt.

Wacht maar!

WAT MIS JE VEEL ALS JE GEEN BAASJE HEBT.

 

 

    

Het afdakje lekt als het regent. Je kijkt naar die druppel.

Je wordt er kwaad om.

Ja, durf eens te bewegen, zeg je tegen die druppel.

Je gromt, je laat je tanden zien.

Die druppel valt toch.

Hap! Zegt je.

Bah! Zo’n flauwe natte hap.

Dan lik je maar weer je kapotte poot.

Je vacht stinkt nog erger door de regen.

Vies, rillerig sta je op.

Je schudt je pels eens uit.

Je snuffelt eens wat op de grond.

Met je voorpoten krabbel je wat aan die oude lap.

Die heb je eens ergens weggepikt.

Maar die lap is ook klam en je vindt er geen warmte bij.

Zeg, ER IS EEN HUIS: EEN HUIS OMHOOG.

Daar boven in die flat woont je baasje.

Jij kent hem niet.

Jij zoekt hem niet.

Hoe zou je ook?

 

 

     

Op de hoogste verdieping van de grote flat is een raam.

Wie zit daar achter?

Dat is… Ja, dat is het baasje.

Hij kijkt naar de regen. Hij kijkt naar de mensen. Hij ziet alles, ook jou!

Ach, die hond, denkt het baasje.

Wat is die er ellendig aan toe.

Z’n vacht is nat. Z’n staart zwaait niet vrolijk.

Zijn staart hangt triest tussen zijn poten.

De slager gooit een steen naar hem.

Raak!

Ach, dat beest.

Nu hinkt hij. Waar gaat hij heen?

Kijk, hij heeft geen baasje.

Hij is erg ellendig.

Hij heeft geen thuis.

WAT LIEFDE IS, dat weet dat beest niet.

Zo denkt het baasje.

 

 

Och, nu is het raam leeg.

Pappa, zegt het baasje, er is een hond,

hij is zo ellendig.

IK HOUD VAN HEM.

Ga maar, zegt vader.

Ga hem maar zoeken, mijn zoon.

Ik heb die hond al lang op het oog.

IK HOUD NET ZOVEEL VAN HEM ALS JIJ.

Ga jij maar naar beneden en zoek hem op.

Probeer zijn liefde te winnen.

Maar pas op. Hij is nu vals!

Hij bijt vast.

Ja, vader, zegt het baasje, IK GA!

IK GA OM UW WIL TE DOEN.

Dan gaat het baasje naar beneden.

De regen in, de kou in.

Hij wordt zelf kletsnat en vies.

HIJ ZOEKT JOU!

Had je dat ooit gedacht, kleine hond?

 

 

Het baasje loopt door de modder.

Hij roept. Hij lokt met lieve woordjes.

JIJ? Je kruipt weg.

Je kruipt naar achteren tot je niet verder kunt.

Het baasje roept een naam.

Joyce! roept hij.

Joyce? Heet jij zo?…

Joyce betekent toch vreugde?

Dat kan niet goed zijn.

Maar het baasje heeft besloten om je Joyce te noemen.

Dus van nu af heet je Joyce.

Maar jij bent doodsbang.

Ga weg, grom je. Ik ken je niet, ik wil geen baasje.

Ik ben mijn eigen baas. Dat is prima!

Dat bevalt me goed.

Ga weg, jij. Ik vertrouw je niet.

Pas op… of anders…. BIJT IK.

 

     

Bloed aan de hand.

Je beet.

Au! zegt het baasje. Hij denkt aan zijn vader.

Die heeft het voorspeld.

Het baasje heeft pijn.

Zijn hand bloedt.

Dat heb jij gedaan, kleine hond.

Zo’n hondenbeet is ook gevaarlijk.

Het baasje kan er aan doodgaan.

Toch houdt het baasje nog van je.

Arme kleine wilde Joyce, zegt hij.

Morgen kom ik weer.

Je zult aan mij wennen.

Je hoort bij mij thuis, daar boven in de flat.

Niet hier onder het lekkende afdakje.

Als je gewassen bent, dan ben je mooi, Joyce.

Ook eten geef ik je.

NOOIT ZUL JE MEER HONGER HEBBEN OF DORST.

En altijd zullen we samen zijn.

Mijn hond ben je. Voor altijd en altijd.

 

    

Honger, altijd weer die honger!

Jij gaat weer op roof uit.

Is er hier of daar wat te stelen?

De mensen zien je.

Daar gaat die kleine wilde hond, die is vals.

Ze moesten die hond opsluiten, zeggen ze.

Of doodmaken.

Hij is vies en gevaarlijk.

Geef hem maar een schop.

Of gooi een puts water op zijn lijf.

 

Joyce, hoor je dan roepen.

Even spits je de oren.

Dat is die stem, dezelfde stem van gisteren.

Je aarzelt. Wat?

Ruik je dat goed?

Eten? Worst?

Het water loopt je in de bek.

Wat ben je toch mager, zegt de vriendelijke stem van het baasje.

Kom bij mij. Ik heb eten.

IK BEN ER TOCH VOOR JOU?

BIJ MIJ IS LEVEN EN OVERVLOED! Ik houd van je.

 

   

Heel voorzichtig en erg op je hoede kom je dichterbij.

O, die heerlijke geur.

Daar is de hand, DE HAND DIE BLOEDDE DOOR JOUW SCHULD.

Hij geeft eten, eten.

Maar zo gemakkelijk geef je je niet over.

Je pakt het eten vlug. Je rent ermee weg.

Ik ben toch mijn eigen baas, denk je.

Ik blijf ook mijn eigen baas.

Om mijn nek komt geen halsband.

Ik hoor bij de vrije honden.

O zo!

 

Met een tevreden vol gevoel in je buikje slaap je o zo heerlijk in onder de vuile lap,

Onder je afdakje.

 

In de nacht.

Wat is dat?

Je spitst snel je oren.

Er sluipt iets. Is het een kat?

Je kunt katten niet luchten of zien.

Au, je poot steekt ook weer.

Die poot, die gewond werd door de steen.

Je staat op. Je rekt je eens goed uit.

Je kijkt het donker in.

Je staart hangt bang tussen je poten.Het is zo donker buiten.

Dan…

Is daar het licht.

Het flitsende grote licht. Je schrikt je wezenloos.

Je kruipt helemaal achterin onder je afdakje.

Dan komt er een heel harde knal.

Bomberdebomberdebom!

Je jankt van angst voor het onweer. Help me, jankt je.

Je besterft het haast van angst en niemand die je gerust stelt.

Baasje, was jij maar hier, huil je.

Alleen jij kunt mijn angst weghalen. …

Dan hoor je: Joyce! Kom dan!

 

  

Dan zet je al je eigen baas willen zijn opzij!

JE GAAT NAAR HEM TOE.

Kom maar, lieve hond. Kom maar Joyce.

JA BAAS, IK KOM!

Bij jou ben ik veilig, hč?

Bij mij is een schuilplaats tegen storm en wind.

Vader, zegt het baasje, hier is Joyce. Hij is nu mijn hond.

Wij blijven altijd samen. Ik maak hem blij…

En hij maakt mij blij.

Voorzichtig kwispel je.

Je likt de hand.

De vader ziet het.

Hij is ook blij.

Zoon, zegt hij dan, JE MOET HEM WASSEN.

 

Zo mooi.

Dan wordt je gewassen.

Al het vuil weekt van je af.

De vlooien drijven boven. Die drijven met het vuile water door de goot.

Het baasje droogt je stevig af.

Je vindt het nog niet genoeg.

Je schudt de laatste druppels uit je vacht.

Dan kruip je bibberend in de warme doek.

Je draait en je schuurt, je keert je en met de poten in de lucht

Schuif je je rug droog op de doek.

Joyce, wat ben je mooi!

ZO REIN, ZO WIT, zo zonder modder.

Zo wil vader je graag zien, zegt je baasje.

Maar wat zie ik?

Is je poot gewond?

Zeker door die steen van de slager.

Ik zal zalf op je poot doen.

Dit is jouw mand. Ga maar liggen.

En dit is jouw huis.

Mijn huis is jouw huis.

En dit is jouw etensbak.

ELKE DAG ZAL ER ETEN VOOR JE ZIJN.

 

       

Op! Op!

Het baasje leert je kunstjes. Leuk hč?

Samen spelen.

Het baasje leert je steeds meer.

Je wordt een gehoorzame hond.

Kom! zegt het baasje…

En je komt.

Liggen! Zegt het baasje…

En je gaat liggen.

Dood! Zegt het baasje….

En je doet alsof je dood bent.

Hoe spreekt hij dan?

…. Woef!

Geef me een poot, Joyce.

Heerlijk om een goed baasje te hebben.

Je staart kwispelt en je geeft het baasje een lik in zijn gezicht.

Stelen mag niet meer.

Vechten met katten ook niet.

En bijten helemaal niet.

Dat wil de baas niet.

Dat is beneden je stand, zegt hij.

Je kreeg een naam en een thuis.

Je vroegere zwerfhondenleven is voorbij.

Ozo!

 

    

Kijk, daar ga je.

Zie ik het goed?

Heb je een riem om, vrije hond?

Ja, blaf je blij, deze riem wil ik nooit meer kwijt.

Als ik die riem kwijt ben ben ik mijn baasje kwijt.,

Ik wil altijd bij het baasje blijven.

Hij houdt van mij, hij aait mij.

Hij speelt met mij, hij geeft mij eten.

Hij verzorgt mij.

Hij deelt zijn huis met mij.

Bij hem ben ik veilig als het hondenweer is.

Mijn baas en ik gaan samen door het leven.

Woef!

Ik Kan wel springen van blijdschap.

Woef.

Jij ook?

 

Dit is een hondenverhaal en toch eigenlijk een mensenverhaal.

Het is het verhaal van de Heer Jezus en jou.

Zijn liefde is zo groot voor ons mensenkinderen.

Die liefde is onbeschrijfelijk.

De Heer Jezus heeft een plan met jou, mensje.

Het is een prima plan.

Vertrouw je hem?

Of ben je liever eigen baas?

Kom, leg je hand in zijn hand.

Dan pas ben je veilig!

 

Copyright: Josine de Jong