Jinkhanna II

 

Van der Kemp in Zuid Afrika, het land van Hottentotten en Boeren. (Vervolg)

 

Een moeilijk werk wacht Johannes, want de Hottentotten zijn slaven van de Boeren en die willen niet, dat hij hun het evangelie verkondigt. Ze vinden dat Hottentotten geen ziel hebben. Alleen al in Kaapstad zijn er 6000 slaven. Vier maal per week preekt hij voor hen. Hij ziet hoe ze worden geslagen en pleit voor hen bij hun onderdrukkers, maar het heeft weinig resultaat. Dan besluit hij diep het land in te trekken, waar de Hottentotten nog in vrijheid leven. Dat is gevaarlijk, want de vrije Hottentotten haten natuurlijk op hun beurt weer de blanken.

 

Voorbij de grote Visrivier, meer dan duizend kilometer naar het oosten, woont koning Gaika. Dr. Van der Kemp gaat daar naar toe. Het is het hol van de leeuw, maar toch wil hij juist daar naar toe. 

Het is in mei 1799 als een aantal ossenwagens Kaapstad verlaat. Naast Van der Kemp staat zijn vriend Bruntjie, de beroemde olifantenjager. Die zal als gids en tolk fungeren.

 

Op een van de avonden, als de wagens in een kring gezet zijn en het kampvuur is ontstoken sluipt er een donkere gedaante op Johannes toe. Hij blijft voor de zendeling op de knieën liggen. Het is een Hottentot met een brandende vraag.

“Meneer,” vraagt hij,  “is het waar wat de Boeren zeggen, dat God ons niet geschapen heeft en dat Hij zich ook niet met ons bemoeit?”

“Tuurlijk niet,” antwoordt Van der Kemp. ”Jezus maakt geen verschil.”

Hij legt zijn arm om de schouder van de Hottentot, die dolblij is. Nu kan hij Jezus in zijn hart sluiten.

Onhoorbaar zoals hij gekomen was, sluipt de Hottentot weer het donkere bos in.

 

Vier maanden duurt de tocht naar de Grote Visrivier, de grens tussen de Kaapkolonie en het rijk van koning Gaika. Vier maanden vol gevaren. Dan zendt Van der Kemp Bruntjie naar de koning met het verzoek of hij zich in diens rijk mag vestigen. Vol spanning wacht hij op zijn terugkomst. Zou Gaika overstag gaan? Als Bruntjie terugkomt heeft hij iets bij zich als een soort paspoort. Het is de tabaksdoos van de koning. Hij mag komen!

Na enkele dagen reizen staan ze oog in oog met de gevreesde koning, gehuld in een panterhuid. Hij draagt een koperen kroon, zijn gezicht is rood geverfd en in zijn hand heeft hij een ijzeren speer. Aan weerskanten van hem staat een zwaarbewapende krijger. Achter hem, in de vorm van een halve maan staan de andere krijgers en zijn vrouwen. ’t Ziet er schrikaanjagend uit. Dapper stapt Johannes op Gaika toe en geeft hem de tabaksdoos terug, die hij met knopen heeft gevuld.

“Wat komt u doen in mijn land?” bast de koning, “Wij willen geen witmensen hier. Zij maken mijn mensen tot slaven.” Het klinkt grimmig.

“Het is waar, majesteit,” antwoordt Van der Kemp met een lichte buiging, “maar ik ben niet zo. Ik wil uw vriend worden.”

De koning wendt zich tot zijn aanvoerders om met hen te overleggen. Deze zeggen achterdochtig: “Het is een witmens. Hij bedriegt ons. We moeten hem doden.”

Ze vellen hun speren. Van der Kemp beseft het grote gevaar. Hij springt naar voren, rukt de tabaksdoos uit de hand van de koning en roept: “Ik ben een vriend! Ik kom ongewapend. Geef me een plaats om te wonen! Geef me een veld voor mijn ossen en wagens!”

Het is of de aanvoerders verbluft zijn.

“Laat hem bij de rivier wonen!” roept er een.

En de koning stemt toe. Het gevaar is bezworen door de moed en het geloof van de zendeling. God laat niet toe dat zijn vredesbode wordt vermoord. Van der Kemp buigt voor de koning en trekt met zijn volgelingen en zijn ossenwagens naar de rivier…

 

Die avond zit een man in een eenvoudige tent onder een dak van gras. Hij schrijft met inkt, die hij zelf gemaakt heeft van een stukje rode wortel en spijkers. Hij schrijft: “Ik knielde neer op het gras en bad of van hier uit het zaad van het evangelienaar het noorden door heel Afrika verspreid mocht worden.”

Zijn gebed is verhoord. Maar het begin is moeilijk. Zijn beste vriend Bruntjie laat hem in de steek.

 

Johannes haalt Hottentottenjongens en –meisjes over om bij hem op school te komen.

Het is een wonderlijke klas. De kinderen zijn naakt en ze lopen telkens de klas uit, hoewel een paar kralen wonderen doen. Van der Kemp legt een Hollands tuintje aan met sla, wortelen, rode bessen, perziken, abrikozen en aardappelen.

Op een keer komt er een Hottentot hem waarschuwen: “Meester, vlucht, men wil u vermoorden.”

Van der Kemp vlucht niet. ’s Nachts hoort hij de wolven snuffelen aan zijn hut en leeuwen brullen.

En… koning Gaika maakt hem het zendingswerk zo moeilijk, dat hij zijn gebied verlaat en weer over de grote Visrivier naar het Westen trekt om in het gebied van de Kaapkolonie te werken.

 

Maar ook hier komt tegenstand. En nu van de kant van de Boeren. Ze vonden het immers maar niks, dat Van der Kemp aan de Hottentotten het evangelie bracht.

“Zwarten en witten zijn gelijk,” zei Johannes altijd. ‘En jullie mogen de Hottentotten niet dwingen op je boerderij te werken.” Je begrijpt dat hij daarmee de Boeren tegen de schenen schopte. Dat kwam tot een uitbarsting, maar God beschermde hem en zijn vrienden.

 

Van der Kemp reist weer verder met zijn Hottentotten die hij zijn kinderen noemt en in een eenzame streek sticht hij een dorp, Bethelsdorp geheten. De grond is hard en moeilijk te bewerken. Het water is zout en haast  niet te drinken. Er is haast geen zaad om te zaaien, want de boeren willen Van der Kemp geen zaad verkopen. Het wordt een harde taaie strijd om te blijven leven. En toch… toch groeit Bethelsdorp. De Hottentotten bouwen hun huizen van stro en midden daartussen de kerk van stro. Ze planten vijgenbomen, perzik- en granaatappelbomen. Ze zaaien het weinige zaad dat ze kunnen krijgen en hebben te eten. Er wordt gewerkt in Bethelsdorp en iedere avond is er een dienst in de kerk van stro. Daar spreekt van der Kemp, de moedige zendeling, bij het schaarse licht van enkele kandelaars over de grote Meester, die ook de Hottentotten liefheeft.

 

Na enkele jaren wonen er 1150 mensen en zijn er al ruim 6000 stuks vee. Er zijn handwerkslieden onder die zeep maken en smeedwerk en wapens repareren. Er zijn vissers - in de nabijheid ligt een groot meer - en houtskoolbranders. Vrouwen maken matten en manden en uit het meer haalt men zout, dat in de verschillende steden van de Kaapkolonie wordt verkocht.

De Boeren beweerden altijd, dat de Hottentotten lui waren. Van der Kemp laat zien dat dit niet het geval is. Wanneer de kleurlingen maar een doel hebben waarvoor ze werken, wanneer ze geen slaven maar vrijen zijn.

En…wat het voornaamste is: van Bethelsdorp uit gaan zendelingen. Ze trekken door de hele Kaapkolonie. Deze zendelingen zijn Hottentotten, waarvan sommigen vroeger dronkaards waren. Ook zij moeten verdrukking lijden. Twee van hen: Jochem en Abraham, worden door de Boeren gegrepen, aan een boom gebonden, mishandeld en dan in kooien opgesloten in de brandende zon, als wild gedierte. Ze komen bij Van der Kemp terug.

“Meester,” klagen ze, “ze willen ons zwarten niet. Wij zijn varkens en ossen. Ze haten ons.”

“Ik weet het,” zegt Van der Kemp, “Ik weet het, maar ik ben hier als jullie vriend en een nog groter vriend gaat met jullie mee, de Here Jezus en Hij laat niet in de steek wat Hij begon.”

 

De tegenstand van de Boeren doet Van der Kemp veel verdriet. Hij gaat naar Kaapstad om voor zijn kinderen te pleiten. Hij mag van de regering geen school stichten en geen bibliotheek openen, dan worden de Hottentotten te wijs. Op alle mogelijke manieren werkt men hem tegen. Is het wonder dat zijn geduld soms uitgeput raakt?

Maar in de wijde eenzaamheid van het veld, gezeten op zijn paard hervindt hij weer zijn moed. Dan neemt hij weer zijn Nieuw Testamentje en leest: ‘Gij zijt immers allen een in Christus.’

“Dat is het!” mompelt hij dan en hij grijpt de teugels om naar de kraals in de omgeving te gaan en daar de Heiland te verkondigen. De kinderen rennen hem tegemoet en begroeten hem met: “Jinkhanna!! Vader zendeling.”

 

In 1811 wordt hij doodziek. De jarenlange strijd heeft hem uitgeput. Zijn gezicht is mager en smal geworden. Van alle kanten komen de Hottentotten om hem nog eenmaal te zien.

“Jinkhanna,” zegt een verweerde Hottentot, “u is een man van God. U kwam tot ons van God en nu gaat u weer terug naar God.”

“Zo is het, vriend.” fluistert de zieke.

En als later een van zijn “kinderen” vraagt: “Vader, is het licht?” dan antwoordt hij met zwakke stem: “Het is licht.” en met deze woorden gaat hij naar het Vaderhuis.

In Bethelsdorp wordt hij begraven en erkend als de grote strijder voor Koning Jezus en de rechten der zwarte mensen.

 

Overgenomen uit het boek De kerk op mars van P.A. de Rover 1958.