Programma Nr.4  Week 6       Engelen 

Geschreven door Josine de Jong (zie Bijbelverhalen.nl)

 

Lezen uit de bijbel     week 6

Hebr. 1: 1-5,13,14

 

Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten,

maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enig erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen.

In hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld, hij schraagt de schepping met zijn machtig woord; hij heeft, na de reiniging van de zonden te hebben voltrokken, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit,

ver verheven boven de engelen omdat hij een eerbiedwaardiger naam heeft ontvangen dan zij.

Tegen wie van de engelen heeft God immers ooit gezegd: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’?

 

13 Tegen wie van de engelen heeft hij ooit gezegd: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik van je vijanden een bank voor je voeten heb gemaakt’?

14 Zijn zij niet allen dienende geesten, uitgezonden om hen bij te staan die deel zullen krijgen aan de redding?

 

Verklaring:

Hier staat duidelijk dat Jezus Gods zoon en erfgenaam is. Dat de wereld door hem is geschapen, dat hij onze zonde heeft gedragen en nu aan Gods rechterhand zit.

De engelen zijn hem onderworpen. Ze zijn maar dienaren. Ze moeten ook ons helpen.

Het is dus dom om tot hen te bidden, want wij zijn hoger. (door Jezus)

 

 

Kringgesprek   week 6

 

Kan een mens ook een engel genoemd worden?

Wanneer zou je zeggen dat iemand een engel is?

Doet die persoon dan iets liefs?

Ken je iemand die je een engel vindt? Vertel er eens over?

Is een engel iemand die je helpt tegen betaling?

We zeggen wel: hij/zij was een reddende engel. Wat betekent dat dan?

Denk je dat engelen zich ook als mensen kunnen voordoen?

 

 

 

 

Verhaal  week 6 Ongeveer tien minuten

 

OT32 - ANDERS DAN DE ANDEREN

Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl)

 

 Haha, pak hem! Sla hem neer! Goedzo!’

Een paar Filistijnse jongens zijn bezig een oude Israëliet te beroven. De arme stakker blijft kreunend op de grond liggen en de dieven nemen de benen. Waarom doen ze zo gemeen? Hebben hun ouders hen niet geleerd wat goed en kwaad is?

 

Nee. De Filistijnen, een buurvolk van de Israëlieten, leven zonder God. Ze zijn flink agressief en vallen telkens Israëlieten lastig. Eigenlijk is het de Israëlieten hun eigen schuld. Ze hebben eerst de Filistijnen bewonderd om hun manier van leven, dat ze zo stoer waren en zo goed ijzer en brons konden smeden. Zelfs hun goden werden alom vereerd. Nu zitten ze met de gevolgen.

 

Op een heuvel vlakbij staat een jonge Israëliet. Zijn benen wijd uiteengeplant, zijn handen in de zij. Hij heeft gezien wat die knullen deden. Een grote woede borrelt in hem op. Hoe durven ze, dat roversvolk. Met een ruk werpt hij zijn dikke haarvlecht naar achteren en beent weg, de dieven achterna.

 

Wie is die jongen die zo anders is als alle anderen? Met zijn brede schouders, zijn lange haar is hij een opvallende verschijning. Maar vooral in zijn doen en laten is hij anders. Hij haat onrecht. En hen die verkeerd doen, zegt hij recht in hun gezicht de waarheid. Veel vijanden heeft hij daardoor, maar ook veel vrienden. Goedlachs en altijd in voor spanning en avontuur, dat is Simson, de zoon van Manoah uit Zora. Maar hij is meer. God heeft hem geroepen om zijn volk te leren, dat die Filistijnse manier van leven absoluut verkeerd is. Kijk, hij geeft die knullen er flink van langs. De oude man krijgt zijn beurs terug.

 

‘Ben je weer in Mahane geweest?’ vraagt moeder Jesbat als hij onder de schrammen thuiskomt. ‘Blijf toch bij die Filistijnen vandaan. Moet je eens kijken hoe je eruitziet.’

Simson haalt zijn schouders op. Die paar schrammetjes... Zijn woede is alweer gezakt.

‘Mam, zegt hij vrolijk, ‘De jongens van Pura hebben mij uitgenodigd

om vanmiddag op hun feestje te komen...’

‘Denk eraan, geen wijn drinken, hoor!’ zegt Jesbat bezorgd. ‘Zelfs geen druivensap, dat weet je.’

Simson zucht. ‘Ik ben geen klein kind meer. U heeft me goed ingeprent wat ik wel mag en wat niet. Trouwens... ik wil zelf ook graag een knecht van God zijn. Al is dat lange haar wel lastig.’

‘Nooit af laten knippen, hoor! Dat betekent dat je een bijzonder mens bent voor God.’kan moeder toch niet laten te zeggen. Simson staat ongeduldig op.

‘U bent een schat van een moeder, maar u moest alleen niet zo bezorgd zijn. En voor straf...’

Bij wijze van grap tilt hij haar zo maar van de grond.

‘Laat me los, kwajongen.’ lacht ze en trommelt met haar vuisten op zijn schouders. Hij dreigt haar op de kast te zetten als ze niet belooft vanavond lekkere uiensoep klaar te maken, wat ze natuurlijk gauw toezegt.

Even later kijkt Jesbat hem na. Haar beresterke Simson. Wie had ooit gedacht dat zij, klein vrouwtje, nog eens zo’n zoon zou krijgen. Zelfs was er een tijd geweest dat ze dacht helemaal geen kinderen te kunnen krijgen. Haar gedachten dwalen terug naar die dag, zo’n zeventien jaar geleden.

 

Het was in de tijd van de druivenoogst. De grote bruine haan was weggelopen en Jesbat ging hem zoeken in het veld. Plotseling stond er iemand voor haar, die haar aansprak met de woorden: ‘Vrouw, u zult een zoon krijgen, een bijzonder kind... Hij mag zijn haar niet afknippen en geen wijn drinken, want God wil hem gaan gebruiken om Israël te verlossen uit de macht van de Filistijnen.’

Och, wat schrok ze. Haar hart ging als een razende tekeer. Wat moest ze zeggen, wat moest ze doen? O, was Manoah, haar man maar hier. Vlug rende ze naar huis.

Manoah! Manoah! Ik heb een soort van man van God gezien, een engel denk ik. Zo eng!’

Manoah stond natuurlijk gek te kijken.Gauw liep hij met haar mee, maar... die man was verdwenen. Jammer! Hij had nog zoveel te vragen.

‘O, Here God,’ bad hij dan ook, ‘wilt u hem nog eens naar ons toesturen, alstublieft.’

En ja, hoor! Op een dag, kort daarna, kwam Jesbat hem zenuwachtig roepen. De man was er weer. Zo hoorden zijn eigen oren het blijde nieuws. Nog niet helemaal tevreden nodigde hij hem uit

om te blijven eten. Maar dat wilde de man niet.

‘Offer het eten maar als een brandoffer aan de Here,’ zei hij. Manoah bedacht plotseling dat hij niet eens wist hoe de man heette. Beleefd vroeg hij hem dus naar zijn naam.

‘Waarom vraagt u dat? Mijn naam is immers WONDERBAAR?’ was het raadselachtige antwoord. Manoah dacht na. Wonderbaar? Wie heet nou zo? Langzaam drong het tot hem door dat het niet zo maar een man, maar een engel was. Met bevende handen offerden Manoah en Jesbat hun mooiste geitenbokje en nog wat koeken op een rotsblok. En dan... deed de engel voor hun eigen ogen een wonder. Terwijl de vlam van het offer omhoogging, voer hij op naar de hemel.

‘We zullen sterven, omdat we dit gezien hebben!’ riep Manoah ontzet. Maar Jesbat zei nuchter: ‘God heeft ons toch immers een zoon beloofd?’

 

Precies zoals was aangekondigd, gebeurde het. Simson werd geboren, een stevige gezonde baby. Zij voedden hem op zoals de engel hen had bevolen. En nu hij wat ouder werd, ging God hem steeds meer gebruiken.

 

Mèmèè!’ Het gemekker van de kleine geit bij het hek, die gemolken wil worden, brengt Jesbat weer terug in de werkelijkheid. Met een zucht pakt ze het emmertje op en gaat aan het werk. In haar hart is een gebed, dat God haar zoon zal bewaren. Ginds in het grensgebied stijgt een pluimpje rook naar boven. De Filistijnen hebben een boerderij in brand gestoken. Zou Simson het ook zien?

 

 

 

 

 

 Eerbied week 6    Ongeveer vijf minuten

 Dank u Heer, dat er mensen zijn die zich gedragen als een engel in nood. 

 Sommige mensen hebben geen eten, geen onderdak, geen oppas, of geen redder. Dank u dat er altijd weer opofferende mensen zijn.

  Wilt u ons leren ook voor anderen een reddende engel te zijn. Even niet aan onze eigen pleziertjes denken, maar een offertje brengen voor iemand anders.

Vergeef ons, Heer, als we egoïstisch zijn of onverschillig. In Jezus’naam. Amen.

 

 

Tekst     week 6   

 

Hebr. 13:1

 

sinaasappels

Houd de

citroenen

appels

onderlinge

peren

pruimen

liefde

perziken

in stand

aardbeien

en houd

bessen

de gastvrijheid

Mango’s

in ere,

 

mandarijnen

want zo

frambozen

hebben

Kiwi’s

sommigen

meloenen

bananen

zonder het

te weten

pompoenen

aalbessen

engelen

kruisbessen

bosbessen

druiven

sla

ontvangen.

komkommer

 

Haal de groenten en het fruit eruit en kijk dan wat voor een engelentaak je hebt.

 

 

Opdracht week 6  Ongeveer tien minuten

 

Bekijk de kleurplaat materiaal/kleurplaten/104.

 

 

Wat is er niet goed aan deze kleurplaat?

(De engel leek op een man. Hij had dus geen vleugels.)

Aan wie verscheen de engel het eerst?

Hoe merkten ze dat het een engel was?

Teken de vrouw van Manoah erbij.

 

 

  Activiteit    week 6   Ongeveer 15 minuten 

 

Deze week kun je kiezen uit de volgende activiteiten:

 

* Maak een soort creditcard.

Schrijf er op: Tegoedbon voor vijf minuten/ tien minuten/een kwartier. 

Ik zal vijf/tien/vijftien minuten een engel voor u zijn.

Het is leuk als je er een foto van jezelf op plakt en de kaart leuk versiert. (met een engelenplaatje?)

Je kunt de card ook lamineren. Dan kun je hem vaker gebruiken.

Je kunt bijv. vijf minuten schoonmaken of afwassen, oppassen op de hond of met je broertje gaan wandelen.

Het hoeft niet per se voor je vader of moeder te zijn.

 

* Zoek de echte engelen

1. We gingen voetballen. Het bleef maar steeds gelijkspel. Onze club moest echt winnen anders zouden we worden gedegradeerd. Gelukkig was Cees de reddende engel. Vijf minuten voor het eind knalde hij de bal via de paal erin.

 

2. Mamma moest met mij naar het ziekenhuis, maar wie moest er dan op de baby passen? We konden niemand vinden. Iedereen had het druk. Gelukkig was de buurvrouw de reddende engel. Ze paste op ons broertje tot mamma weer terug was.

 

De engel zei tot de man: Vrees niet, je zult een zoon krijgen.

 

De hele winkel stond vol engelenbeeldjes, mamma kocht er een paar als souvenir voor thuis, maar ik kocht er één voor mezelf. Een schattig mollig baby’tje met bloemen in het haar.

 

De kerstboom was prachtig opgetuigd. Helemaal bovenin stond een schitterende engel van zilver. Ze spreidde haar tere vleugels uit en flonkerde. Het was net of ze tegen mij sprak.

 

De bedelaar stierf bijna van de kou. Zijn handen waren rood. Hij stonk naar de drank. Zijn dikke gerafelde grijze sjaal zat wel drie keer om zijn nek gewonden. Toen kwam er iemand van het Leger des Heils, die gaf hem een kop soep en onderdak.

 

Het kind lag in het water. Help, help! riep ik, maar niemand was er in de buurt. Wat moest ik doen?

Dan probeer ik het zelf maar, dacht ik en trok mijn dikke jas uit. Net wilde ik in de gracht springen toen er plotseling een man verscheen, een reddende engel,  die zonder poespas erin dook. Ik huilde van blijdschap toen het ventje werd gered.

 

Rondom de troon waren duizenden dienaren die riepen: Heilig, heilig is de Here. De hele aarde is vol van zijn glorie.

 

 

* Schrijf een kaart naar iemand die gevangen zit om het geloof. De adressen kun je vinden bij Open Doors.

 

 

 

 

 

Quiz      week 6

Welk vraag-nummer hoort bij welk antwoord-nummer ?

Zie de antwoorden onderaan deze pagina 

 

 

Vragen

 

Antwoorden

1

Hoe kun je voor iemand een engel zijn?

1

 Ja, kijk maar naar het verhaal van Simsons moeder en vader.

2

Kunnen engelen ook als een mens eruit zien?

2

 Aan de gevangenen.

3

Wat staat er in de bijbel over gastvrijheid?

3

 Jezus, hij is de zoon van God.

4

Aan welke mensen moet je ook altijd denken?

4

Door iemand uit de brand te helpen 

5

Wie is er hoger Jezus of een engel.

5

Dat je zonder het te weten engelen kunt hebben gehuisvest. Denk maar aan Abraham en Lot.

6

 Wie is er hoger een mens of een engel?

6

dienen

7

 Wat doen engelen?

7

Een mens. 

8

 Wat zei de engel tegen Simsons ouders?

8

 De engel die tegen Zacharias zei dat ze een zoon zouden krijgen.

9

Wie was Gabriël?

9

 Jullie krijgen een zoon.

10

 Welk dier kon een engel zien?

10

 De ezel van Bileam.

 

 

 

 

Antwoorden: 1-4     2-1     3-5    4-2     5-3    6-7    7-6    8-9    9-8     10-10

 

 

 

Video    week 6

 

 Boekje: Simson deel 1.