8. Koning Saul

 

Saul, dat was een koning, die ging zijn eigen gang.

's Nachts kon hij niet slapen. O, wat was hij bang.

 

Refr.: Saul, Saul, domme, domme Saul,

waarzeggen mag niet van de Here,

Ieder die deze dingen doet, is een gruwel in Zijn oog.

 

De Filistijnen kwamen, de nood was reuze groot.

Nergens een profeet, want Samuel was dood.

refr.

 

Met twee vrienden ging hij 's nachts naar Endor toe.

Hij at niet en hij dronk niet. Hij was zo vreselijk moe.

refr.

 

Kijk eens! Wie verscheen daar? Was dat SamuŽl wel?

"God is van u geweken, U bent niet meer in tel."

refr.

 

David was een koning, die deed steeds wat God wou.

Hij sliep 's nachts heerlijk rustig.

Wat is de Here trouw!

refr.