Farao

 

1. Het water en de vissen en de kikkers zijn van God.

Planten en dieren, allemaal van God.

Zon, maan en sterren, je hele levenslot.

Oude mensen, jongeren, ook baby’s zijn van God!

Refr. Farao, Farao, schud maar met je hoofd en toch is het zo.Farao, Farao, schud maar met je hoofd en toch is het zo.

 

2. Vrijheid en vreugde, de liefde is van God.

Feesten en lachen, allemaal van God.

Heden en toekomst, je hele levenslot.

Goud, zilver, platina, ook centjes zijn van God.

Refr. Farao, Farao, schud maar met je hoofd en toch is het zo. Farao, Farao, schud maar met je hoofd en toch is het zo.

 

3. Je longen, je nieren, je hart is van God.

Ogen, neus en oren, allemaal van God.

Je vragen, de dagen, je hele levenslot.

Al je gedachten, je adem is van God.

Refr. Farao, Farao, schud maar met je hoofd en toch is het zo. Farao, Farao, schud maar met je hoofd en toch is het zo.

 

 

4. De A en de B en de Z zijn van God.

Wijsheid en woorden, allemaal van God.

Liedjes, melodietjes, je hele levenslot.

Alle instrumenten en de beat is van God.

Refr. Farao, Farao, jij zult verliezen en toch is het zo! Farao, Farao, wij zijn overwinnaars en toch is het zo.